De Gouden Standaard in 40 Vragen en Antwoorden

1. Wat is een gouden standaard?
Bij een gouden standaard is een valuta -wettelijk- gedefinieerd als een bepaald gewicht in goud, waarmee mensen betalen. Bankbiljetten zijn dan altijd inwisselbaar tegen een bepaalde hoeveelheid goud en verder zijn dan gouden munten in gebruik. Bij een gouden standaard fluctueert de geldhoeveelheid alleen met de beschikbare goudhoeveelheid en kan niet meer ongelimiteerd stijgen en voor crises zorgen, zoals met het ongedekte fiatgeld. Men kan ook goud zelf als geld gebruiken zonder een officieel vastgelegde standaard. Op een vrije markt in geld en bankieren zouden er geen aparte, onderling verschillende valuta bestaan met een eigen koers, ook geen goudgedekte. Er zou alleen goud als geld in gebruik zijn, met gouden munten waarop het netto goudgewicht vermeld zou staan. Valutanamen zouden hier niets aan toevoegen omdat goud overal ter wereld hetzelfde is. Er zou ook geen concurrentie tussen gelduitgevers plaatshebben: burgers zouden nimmer vrijwillig kiezen voor geld van inferieure kwaliteit, waarvan de koers fluctueert. Uitgevers van geld (munthuizen, waar men goud aanmunt) concurreren dan juist op kwaliteit en dus universele inwisselbaarheid, precies de kern van geld zelf.

2. Hoe werkt een gouden standaard?
Goud is de ruileenheid; goederen hebben een prijs in goudgewicht en de valuta is dan de handelsnaam daarvoor. Maar op een vrije markt zonder gedefinieerde goudstandaard, met louter goudgewicht als geld, bestaan valutanamen dus niet eens. Onder goudgeld kunnen munten, bankbiljetten en digitale rekeningen de praktijk zijn, net als nu. De geldhoeveelheid (munten, voor muntslag aangeboden goud, inwisselbare biljetten, digitale tegoeden) fluctueert alleen met de hiervoor beschikbare goudhoeveelheid en kan niet meer ongelimiteerd stijgen en voor crises zorgen, zoals het ongedekte fiatgeld.

3. Waarom zou goud geschikt zijn als geld?
Het belangrijkste aan goud is dat het van oudsher universeel gewild is. Mensen willen hun bestaan veilig stellen en optimaliseren; handel met andere mensen is voor de meesten noodzakelijk. Geld als indirect ruilmiddel maakt dit mogelijk. Goud heeft een unieke combinatie van gunstige kenmerken: zeldzaam en vrij moeilijk winbaar, omsmeltbaar en deelbaar zonder waardeverlies, bruikbaar voor industrie en sieraden, roestvrij, esthetisch mooi, duurzaam en eenvoudig op te slaan, te verbergen en te transporteren. Goud is ook buiten het handelsverkeer bruikbaar, is de enige echte wereldmunt en maakt zo de gewenste optimalisering het beste mogelijk. Fiatgeld daarentegen is kwetsbaar, omdat dit uit het niets wordt gemaakt en het vertrouwen erin kan verdwijnen. Het is nooit de vrije keuze van individuele mensen, maar wordt wettelijk verplicht in stand gehouden.

4. Waarom zou een gouden standaard nuttig zijn?
Een gouden standaard of in het algemeen goud als geld heeft vele verschillen ten opzichte van ongedekt fiatgeld. Mits politici en (centrale) bankiers zich eraan houden, dwingt een standaard tot beleid met weinig tot geen ontwrichtende economische ingrepen. Staatsschulden worden niet meer met de geldpers gefinancierd en zijn ook geen onderpand meer voor een kaartenhuis aan geldscheppende kredieten (waarmee bestaand spaargeld aan koopkracht verliest en eigendommen dus worden uitgehold), omdat anders de goudbasis onder de valuta verdwijnt door inwisseling van het ongedekte geld en de munt instort. Goud is een automatisch wapen tegen inflatie: geldontwaarding en marktverstorende conjunctuurgolven door ongedekte kredietverstrekking (de echte inflatie) zijn er niet. Competitieve devaluaties alsmede grote conjunctuurgolven naar boven en naar beneden (door malinvesteringen met fractioneel bankieren) bestaan dan niet en handelsbalansen zijn meer in evenwicht. Economische calculatie is betrouwbaar met goud, een homogeen en relatief stabiel goed. Handhaving van de gouden standaard maakt oorlogen onmogelijk, omdat deze altijd worden gefinancierd "met de geldpers". Er is met goud geen bankenkartel meer met een wettelijk monopolie op geldschepping. Zo is de zeggenschap over geld vanuit staatshanden weer terug bij de bevolking. Met goud hebben de burgers macht, vrijheid en gerespecteerde eigendomsrechten. Om al deze redenen en is goud niet ouderwets of achterhaald.

5. Maar de goudprijs fluctueert toch enorm?
Het argument van de goudprijs draait oorzaak en gevolg om. Het is het vertrouwen in centrale banken en hun ongedekte valuta dat fluctueert, niet in het goud want dat is vrij constant in (groei van de) bestaande hoeveelheid. Ook kan men goud nimmer gratis en dus ongelimiteerd produceren. Dit alles geldt ook voor zilver. Bovendien gaat de marktprijs van goud (en zilver) nooit naar nul omdat er altijd niet-monetaire vraag naar blijft voor bijvoorbeeld sieraden en industrieel gebruik; fiatvaluta daarentegen worden op lange termijn altijd waardeloos. Sterke fluctuaties bestaan alleen als goud en geld losgekoppeld zijn. Sinds het definitief loslaten van de resterende gouden standaard in 1971 is de ongedekte geldschepping enorm gestegen, waardoor er een zeer hoge en volatiele goudprijs is ontstaan, in fiatvaluta uitgedrukt. Onder een streng gehandhaafde gouden standaard is dat alles onmogelijk. Centrale bankiers streven met fiatvaluta stabiele prijzen na en een beperkte inflatie. Maar met goud was die stabiliteit allang bereikt en de middelen die centrale bankiers en politici hebben (prijsindexen, geldgroei- en rentebeleid), zijn discutabel en feitelijk ongeschikt.

6. Als goud zo goed is, waarom hebben we dan geen gouden standaard?
Politici hebben van geld een (grond)wettelijk instituut gemaakt (Grondwet, art. 106), de gouddekking afgeschaft, de zilveren munten uitgefaseerd en het geldbeheer al sinds eeuwen uitbesteed aan centrale banken en private banken met een monopolie op geldschepping. In plaats van goud, hanteren zij een "papieren standaard", waarbij geld in grote hoeveelheden wordt bijgemaakt en waarmee zij winsten maken. Politici kunnen, door de connecties met de (centrale) banken (zoals de verkoop van staatsleningen aan of via hen), groepen in de samenleving bedienen en beleid uitvoeren, zonder nog meer impopulaire belastingen te hoeven heffen. Daarom zijn politici en bankiers tegenstanders van goud. Burgers en bedrijven maken als afnemers en besteders het meeste gebruik van geldscheppende kredieten en hypotheken; het grootste gedeelte van al het gebruikte geld is nu krediet. Hierover heft men dan weer belasting en er is dus een prikkel om dit stelsel overeind te houden. Op een vrije geldmarkt zou ongedekt (papier)geld nimmer levensvatbaar zijn; het feit dat het nu wel bestaat betekent niet mensen er in vrijheid ook voor zouden kiezen. De burgers hebben nu dus geen vrije geldkeuze, maar gebruiken verplicht de wettige betaalmiddelen, bestaande uit fiatvaluta in de vorm van uiterst goedkope munten (van zink, staal, koper, aluminium, tin of nikkel), papier en digitaal geld.

7. Kan goud alsnog waardeloos worden door een grote goudvondst?
Een bezwaar tegen goud is volgens sommigen dat er een overvloedige goudmijn of "goudplaneet" kan worden gevonden, waardoor de beschikbare goudhoeveelheid enorm toeneemt en goud vrijwel waardeloos wordt. Dit is om meerdere redenen een onjuiste gedachte.
a) Zo'n supergoudmijn of goudplaneet is nog nooit aangetroffen en de kans erop is even klein als altijd. Grote goudvondsten in het verleden zijn geabsobeerd door de vraag naar goud en het is nog steeds een relatief zeer schaars goed.
b) Al vindt men zo'n planeet, dan nog kan het vele jaren duren voor er machines, laat staan mensen, aan het werk kunnen gaan, als dat al technisch mogelijk en betaalbaar is.
c) Het goud zal gedolven of van de planeet geschraapt moeten worden, een tijdrovende, technisch gecompliceerde en dure klus.
d) Dit goud zal hetzij in kleine (geen bedreiging voor de goudprijs) dan wel grote (door het gewicht niet-transporteerbare) hoeveelheden gewonnen worden. In beide gevallen is er geen bedreiging voor de positie van goud.
e) Goud van zo'n planeet zou juist door zijn exotische herkomst, schaarste, technisch gecompliceerde winning en wellicht door een bijzondere samenstelling, erg gewild kunnen zijn en een eigen, hogere prijs dan het aardse goud kunnen hebben.
f) Bij een supergoudmijn zal goudwinning door het grote aanbod niet meer rendabel zijn, waardoor de goudhoeveelheid alsnog een bovengrens krijgt en de prijs een bodem.

Verder vormen de (digitale) geldpersen een bewezen onuitputtelijke bron van geldgroei en geldontwaarding, dus het genoemde aloude bezwaar gaat juist op voor de huidige fiatvaluta.

8. Is er maar één soort gouden standaard?
Ja, de gouden standaard met een honderd procent dekking, de goudenmuntstandaard of goudreservestandaard. Deze bestaat uit gouden munten en aan toonder in goud inwisselbare bankbiljetten. Ook zou digitaal goudgeld prima mogelijk zijn. Er hebben ook pseudo-goudstandaards bestaan, zoals de goudkernstandaard (Nederland in 1918-1936) en de goudwisselstandaard (Nederland in 1945-1971). Bij beide bestond de dekking maar deels uit goud, had de inwisselbaarheid restricties en was die vaak alleen weggelegd voor overheden en centrale banken. De systemen waar deze pseudo-standaards in zaten, zoals het systeem van Bretton Woods in 1944-1971, werden stopgezet omdat door ongedekte geldschepping de inwisselbaarheid van het geld niet meer kon worden nagekomen.

9. Leidt de gouden standaard tot nog meer excessieve winsten voor banken?
Nee, integendeel. Een stipt nageleefde gouden standaard kent geen winsten op basis van het privilege op geldschepping, maar alleen uit investeringen met bestaand spaargeld en het leveren van overige bancaire diensten. Dat komt iedereen ten goede. Goud moedigt sparen en investeren aan, geldschepping juist schulden. Van belang is dus wel dat men geen fractionele reserves toestaat en er geen -daarmee samenhangende- overheidsgaranties op bankactiviteiten zijn. De markttucht op een vrije bankenmarkt zonder centrale bank zou fractioneel bankieren ontmoedigen, omdat vrije burgers er nimmer voor zouden kiezen. Banken zijn dan gewoon bedrijven met normale winsten en verplichte naleving van contracten, zoals volledige gouddekking. Goud is ook het enige middel dat het ontstaan van een ongerechtvaardigde bonuscultuur voorkomt.

10. Is er met goud een even grote welvaart als nu?
Een betere vraag is hoeveel welvaart er is misgelopen met het huidige geldsysteem. Met goud zou er veel minder verspilling zijn en veel meer echte welvaartsgroei op basis van productieve arbeid, waarmee in de primaire behoeften wordt voorzien. Op een aantal manieren zijn de meeste mensen minder rijk dan ze lijken te zijn:
- Het geld is thans ongedekt door goud en/of zilver, dus er ontbreekt een echte, relatief vaste vergoeding voor arbeid en investeringen.
- Door fractioneel bankieren is er een voortdurende koopkrachtdaling, wat verspillende consumptie aanmoedigt, en bestaat het risico om bij een bankrun alle spaargeld te verliezen.
- De meeste consumptiegoederen en inboedels zijn bijna waardeloos, omdat ze al snel na aankoop en door gebruik afgeschreven raken. En als men al geld krijgt bij de verkoop van gebruikte goederen, is de koopkracht daarvan sinds de aankoop verder gedaald. Ook dalen in een crisis de huizenprijzen, wat het (virtuele) vermogen verder aantast.
- Bij een bankrun, waar door fractioneel bankieren des te meer risico op bestaat, zal blijken dat tegenover de spaartegoeden nog veel meer schulden staan.
- Bij een bankrun zijn de vele niet-primaire spullen die mensen hebben, sowieso ongewild door overaanbod en/of ontbrekende vraag.
- De pensioentegoeden zitten grotendeels vast in beleggingen als aandelen, (staats)obligaties en vastgoed, waarvan de prijzen sterk fluctueren en niet zelden instorten, zeker in het huidige (piramide)geldsysteem.

11. Geldschepping is toch nodig om in de marktvraag naar geld te voorzien?
Nee. Wie het geldaanbod onder goud onvoldoende vindt, stelt eigenlijk dat de markt faalt en zal de vraag moeten beantwoorden wanneer er dan wel "voldoende" van is en volgens welke maatstaf. Kenmerkend voor elk economisch goed is dat er altijd een tekort van is om in elke actuele behoefte te voorzien. Maar elke geldhoeveelheid is in het algemeen gesproken voldoende om als ruilmiddel van alle goederen te functioneren. Geldschepping lost een "geldtekort" niet op, omdat de prijzen daardoor stijgen en er dus weer meer geld "nodig" zou zijn. Niet de geldhoeveelheid op zich, maar de koopkracht ervan, bepaalt de rijkdom. Onder de gouden standaard krijgt spaargeld een nuttige bestemming. Geldcreatie boven het spaargeld, zoals nu gebeurt, verstoort het marktproces. Kunstmatig lage rentes door centrale banken bevorderen dit. Dit leidt tot een vraagoverschot naar geld en prijsinflatie. Het aanbod aan nieuw geld schept de vraag, eerder dan andersom.

12. Belemmert goud niet de vrijheid om krediet te krijgen?
Ook onder een gouden standaard bestaan kredieten, bij voldoende ter uitlening aangeboden geld en als de lener genoeg rente betaalt. Een zeer belangrijk punt is dat onder goud, de (kost)prijzen door innovaties steeds dalen, waardoor (a) minder krediet nodig is voor dezelfde investeringen en (b) er geld zo overblijft voor nieuwe ondernemingen en producten. Geldgroei is voor kredieten dus onnodig; productiviteitsgroei maakt geld beschikbaar. Op een vrije markt is de rente altijd passend om voldoende spaargeld aan te trekken en als krediet uit te geven. Alleen goederen en diensten met voldoende afnemers worden onder goud geproduceerd. Daarmee wordt de goederenproductie vergroot, dalen de prijzen, blijven er meer geld en andere productiemiddelen over voor andere investeringen en consumptie en stijgt de welvaart. Goud zonder fractionele reserves voorkomt dat anderen in de samenleving gedwongen meebetalen aan andermans geldscheppende kredieten, door hogere prijzen. Geldscheppende hypotheken, kredieten en derivaten in het huidige fiatgeldsysteem, stelen koopkracht en dus welvaart bij anderen en maken van de ontvangers een (valse) economische elite. Men kan zich ook afvragen waarom die voorzieningen er zouden moeten zijn. Geld bijmaken voor investeringen drijft de prijzen op (omdat kredieten vooraf gaan aan de productie), wat weer meer nieuw geld "nodig" maakt. Krediet kan onder goud worden verstrekt als spaarders hun geld tegen rentevergoeding een bepaalde tijd 'uitlenen' aan de bank, via allerhande geldfondsen, aandelen of obligaties. Hierdoor ontstaan er niet meerdere claims (van zowel bank als klant) op hetzelfde geld, zoals onder fractioneel bankieren.

13. Kunnen mensen nog wel een hypotheek krijgen onder een gouden standaard?
Niet de vraag naar hypotheken moet voorop staan, maar naar woningen. Woningbouw tast niemands eigendom aan; hypotheken door geldschepping wel, want zij zorgen voor prijsstijgingen, niet alleen van huizen. Veel van de huidige geldscheppende hypotheken zouden op een vrije markt zonder overheidsgaranties niet eens bestaan, omdat de risico's op wanbetaling te groot zijn. Dat bewijst de marktverstoring ervan en verklaart de huizenbubbels, die in diverse landen de laatste jaren zijn geknapt, wat een terugkeer van de huizenmarkt naar de normale toestand is. Hypotheken en kredieten zijn daarom geen rechtvaardiging voor het huidige fiatgeld. Discutabel is dus of hypotheken het wonen echt betaalbaarder maken. Onder een gouden standaard kan men minstens evenveel huizen bouwen als nu, vooral als de woningmarkt wordt geflexibiliseerd. Bovenal kan men ook een huis huren en intussen werken en sparen om met eigen vermogen een huis te kopen. Dat stimuleert zuinigheid, maakt echt kapitaal op spaarrekeningen of in beleggingen beschikbaar voor investeringen -in de woningbouw- en zorgt ervoor dat mensen eerst een aantal jaren productief zijn voor zij met de opbrengst daarvan een huis kopen. Met de huidige geldscheppende en ontwrichtende hypotheken is dat allemaal precies tegenovergesteld.

14. Is de gouden standaard vatbaar voor speculanten?
Gouden standaards hebben een vaste koers tegenover elkaar, omdat zij alle een goudgewicht zijn. En overheden of banken hebben altijd de plicht tot inwisseling tegen de vastgelegde koers. Hiertegen valt niet te speculeren, mits men de gouden standaard handhaaft en geen ongedekt geld uitgeeft. Speculanten zijn overigens nuttig, omdat zij de marktwerking versoepelen en een signaalfunctie hebben voor de onderliggende economische factoren. Zij zijn eigenlijk de thermometer van een markt.

15. Is er een centrale bank nodig voor een gouden standaard?
Nee, goud behoeft geen centrale bank. Die verleidt beleidsmakers en bankiers tot misbruik. De gouden standaard kan men wettelijk vastleggen en de bankenmarkt vrijgeven. Ook kan de standaard worden geprivatiseerd, waarbij banken zelf zorgen voor inwisselbaarheid van geld tegen een zeker goudgewicht. Een vrije bankenmarkt leidt automatisch tot het gebruik van edelmetalen als geld, wegens het vertrouwen dat daarin bestaat. De goudhoeveelheid wordt dan door vraag en aanbod bepaald en is altijd een weergave van de wensen van het publiek. Vrij concurrerende banken moeten om hun reputatie denken en contracten naleven, zoals inwisseling van geld in goud. Daarom zullen zij deugdelijk geld uitgeven, temeer er geen 'bank der banken' is die hen uitkoopt als zij fractioneel bankieren en in de problemen komen. Eventueel kunnen overheden de ongedekte geldschepping als fraude bestempelen.

16. Een centrale bank is toch nodig voor prijsstabiliteit, door rente en geldhoeveelheid te regelen?
Prijsstabiliteit als beleidsdoel verdoezelt slechts de gevolgen van geldschepping, die de prijzen beïnvloedt en groepen bevoordeelt die met het nieuwe geld tegen oude prijzen goederen kopen, ten koste van de latere ontvangers. Prijsindexen en de term "prijsniveau" zijn misleidend, omdat prijzen nooit over de gehele linie, in hetzelfde tijdvak, geleidelijk en voor iedereen stijgen. Per individu kan geldschepping enorm verschillend uitpakken, afhankelijk van het uitgavenpatroon. Ook missen de monetaire "autoriteiten" de benodigde alomvattende informatie voor stabilisering, wat de gestage prijsstijgingen en de bubbels in aandelen en vastgoed (die buiten de indexcijfers worden gehouden) bewijzen. Het manipuleren van prijzen, de koopkracht of de effectieve vraag door centrale banken is een zwaktebod en symptoombestrijding van het eigen beleid. Op een vrije bankenmarkt is dat allemaal overbodig: klanten stappen gewoon naar een andere bank als de geldkwaliteit van de ene bank hen niet meer bevalt. Onder goud is prijsstabiliteit bovendien de norm, al is absolute stabiliteit onhaalbaar omdat de voorkeuren van consumenten, de goudhoeveelheid en de goederenhoeveelheden steeds wijzigen. Deze onzekerheid is mede de bestaansreden van geld en de keuze voor goud.

17. Overheden kunnen de gouden standaard toch zomaar schenden of opheffen?
Dat kunnen overheden met elke (grond)wetsbepaling, maar dat maakt wetten niet overbodig. Het argument pleit niet tegen een gouden standaard, maar alleen tegen een centrale bank en overheidsbemoeienis met geld. Dus eerder voor vrij bankieren. Bij schending is duidelijk wie er wanneer bedrog pleegt. En van fiatgeld weten we zeker dat beleidsmakers eigendommen aantasten. Een echte gouden standaard zou men onafhankelijk kunnen definiëren, net als de meter en de kilo, of wordt contractueel vastgelegd tussen een private bank en zijn klanten. De overheid kan zich beperken tot wetgeving die schending ervan (fraude) verbiedt. De tucht van de vrije markt zorgt voor betrouwbare banken en hun geld.

18. Met goud zijn we toch afhankelijk van Rusland, China of Zuid-Afrika?
We zijn nooit verplicht goud van hen te kopen, als ze het al exporteren. De goudhoeveelheid en de groei daarvan, zijn voor de geldfunctie irrelevant, net zoals de geldhoeveelheid voor de welvaart in het algemeen niet van belang is. Nieuwe goudvondsten zijn maar een fractie van de al gevonden en bewaard gebleven hoeveelheid. Echt groot is de schade daarom niet als landen geen goud meer willen leveren. En zij zouden dan helemaal moeten stoppen met goudwinning, want door levering aan andere landen kan het alsnog bij vijandige landen terecht komen. Hiermee zouden de goudproducenten zichzelf benadelen. Denkbaar is daarom zelfs dat de economische invloed op goudproducerende landen groter wordt, dan de invloed van hen.

19. Leidt een gouden standaard niet tot oorlogen om goud, zoals om olie?
Dat is meer een vraag die eerder de politiek betreft dan goud. De fout van oorlogen voeren zit bij mensen, niet bij goud. Een gouden standaard moedigt oorlogen niet aan. Een strikt gehanteerde gouden standaard ontmoedigt zelfs oorlogen, omdat ze niet meer met de geldpers kunnen worden gefinancierd. Theoretisch gesproken: zelfs als er oorlog om goud zou uitbreken, zou deze zeer beperkt in omvang en duur zijn, omdat het goudgeld simpelweg opraakt. De vroegere plunderingen van goud in Zuid-Amerika namens Europese vorsten zijn verder geen argument tegen legitieme goudvondsten. En fiatgeld maakt niet alleen oorlogen mogelijk, maar lokt ook weer nieuwe uit, onder meer door de economische chaos die het veroorzaakt.

20. Kan de overheid nog wel belasting heffen onder de gouden standaard?
Ja. Een groot voordeel bij goud is dat overheden en centrale banken niet meer onderling tot aankoop van staatsobligaties kunnen beslissen, waarmee de geldhoeveelheid wordt vergroot en pijnlijke directe belastingen worden omzeild. Zowel belastingen als staatsleningen moeten bij goud komen uit bestaand geld. De scheiding van geld en staat verhoogt de transparantie in de politiek enorm.

21. Leidt een gouden standaard tot schadelijke deflatie?
Prijsdalingen hebben ten onrechte een slechte naam gekregen, doordat zij voor velen synoniem zijn met crises. Maar dalende prijzen door welvaartsvergrotende innovaties, die onder een gouden standaard de regel zullen zijn, hebben daar niets mee van doen. Crises ontstaan door een inzakkende schuldenberg van fractioneel fiatgeld en daar is onder goud geen sprake van. Goud en andere goederen zijn onder de gouden standaard met volledige dekking steeds in balans met elkaar. Hoogconjunctuur onder goud is een teken van vergroting van de goederenhoeveelheid en geeft prijsdeflatie tegenover goud (men kan er meer voor kopen), wat meer welvaart betekent. Dat stimuleert dan weer goudwinning, geeft vervolgens prijsinflatie door het grotere goudaanbod, maar dat bevordert ook het gebruik van goud in andere goederen dan geld. Daarvan dalen dan de prijzen. Goud kent een zeer elastische vraag. De cyclische werking van het systeem is dus omgedraaid en minder hevig en onvoorspelbaar dan nu. In de periode 1873-1896 was er in Amerika en Duitsland deflatie en tegelijk economische groei. Dalende prijzen ontmoedigen ondernemers niet, omdat hun winstmarges voldoende kunnen blijven.

22. De gouden standaard veroorzaakte of verergerde toch de Grote Depressie in de jaren dertig?
Nee. De kiem van de Grote Depressie lag in het feit dat men in Groot-Brittannië na de Eerste Wereldoorlog niet terugkeerde naar de klassieke goudstandaard, maar de goudwisselstandaard instelde. Dat gebeurde bovendien tegen de vooroorlogse -volgens sommigen achterhaalde- pondkoers en met restricties op de inwisselbaarheid in goud. Dit leidde door de onderlinge koppeling via de goudwisselstandaard in Europese landen en Amerika in de verdere jaren twintig, tot grote ongedekte geldschepping. Vanaf najaar 1929 stortte dit kaartenhuis ineen, wat feitelijk een terugkeer van de markt naar het basisgeld (goud) inhield. President Roosevelt had in 1933 niet de gouden standaard moeten loslaten om de crisis op te lossen, maar had beter de Federal Reserve kunnen opheffen. Het loslaten van goud in de jaren dertig in vele landen verstoorde juist het oplossen van de crisis, doordat landen zo onderling devalueerden en een vorm van protectionisme bedreven. (Thans wordt dit herhaald met de dreigende valuta-oorlog, door geldschepping.) De Tweede Wereldoorlog was een uitloper van deze instorting. Een bijna identieke goudwisselstandaard werd vanaf 1944 herhaald in het door de dollar gedomineerde systeem van Bretton Woods, dat in de periode 1968-1971 tot een eind kwam en leidde tot het geheel loslaten van goud in 1971; de "Nixon shock". Vervolgens brak een periode van grote monetaire en economische onrust aan in de jaren zeventig en tachtig. Er doen zich dus al vele decennia heftige conjunctuurgolven voor, mogelijk gemaakt door ongedekte geldschepping. De huidige crisis is er ook weer een voorbeeld van. Met een deugdelijke en stipt gehandhaafde gouden standaard was dit alles voorkomen.

23. De gouden standaard belemmert toch volledige werkgelegenheid?
Nee. Werkloosheid komt niet door een "geldtekort" of "vraagtekort", maar door lonen boven het marktniveau, een starre arbeidsmarkt en wetgeving die werken ontmoedigt. Dus verstoring van het prijsmechanisme, waarbij loon de prijs voor arbeid is. Geldschepping lost dit niet op en tast daarbij de reële lonen aan. Op een vrije arbeidsmarkt neigen de lonen naar overeenstemming met de arbeidsproductiviteit en is er optimale werkgelegenheid. Dit vereist geen geldschepping en een gouden standaard belemmert dit proces dus niet. Het prijsmechanisme zelf volstaat om vraag en aanbod van schaarse middelen met elkaar in overeenstemming te brengen. En na vele decennia van enorme geldschepping zitten velen zonder werk in het sociale stelsel; wellicht bevordert geldschepping dit zelfs.

24. Veroorzaken nieuwe goudvondsten niet alsnog een conjunctuurcyclus?
Nee. Goudvondsten verstoren niet het marktproces, zoals ongedekte kredietschepping doet, maar zijn er onderdeel van. Zij vormen eerder fluctuaties dan cycli, zijn enigszins voorspelbaar en altijd beperkt tot hoogstens de gevonden goudhoeveelheid. Ongedekt fiatgeld wordt onbeperkt bijgemaakt. Het gevonden goud kan ook worden verwerkt tot sieraden, decoratie, instrumenten, apparaten en dergelijke, die dan goedkoper kunnen worden. Goudzoekers worden gedreven door een voldoende hoge goudprijs, zich uitend in voorafgaande prijsdalingen van andere goederen. Zo is er altijd een evenwicht tussen goud en andere goederen.

25. Waren er ook economische crises in tijden van goud?
Ja, wanneer overheden en bankiers de goudstandaard de facto loslieten. Op papier bestond de convertibiliteit nog wel, maar in praktijk leenden de banken creeërden de bankiers leningen in veelvoud van hun reserves, na bemoeienis van overheden en verlaging van de reserve-vereisten door centrale banken. Dit leidde en leidt nog steeds tot conjunctuurcycli met crises, zoals die in de jaren twintig en dertig van de twintigste eeuw en sinds 2007. Een stipte handhaving van de gouden standaard kan dat alles voorkomen. De zwakte zit dus niet in het goud, maar in de mens. Veelzeggend is dat er bij zulke crises steevast een vlucht in goud ontstaat, ook nu weer actueel. Het vertrouwen in goud is constant, in het fractionele fiatgeld niet.

26. Kan een bank ook nieuw goud uit het publiek betrekken?
Ja, naast goudwinning kunnen banken ook aangeboden goud omsmelten, aan de eigen voorraad toe voegen en hiervoor vrij besteedbare biljetten uitgeven. Dit zal op een vrije bankenmarkt een gebruikelijke manier zijn.

27. Wie is de eigenaar van het goud dat in de bankkluis ligt?
Dat goud staat niet persoonlijk op naam, maar iedereen kan bij een bank voor zijn geld wel het goudgewicht krijgen. Op een vrije bankenmarkt kunnen ook de niet-rekeninghouders geld wisselen bij de uitgevende bank, omdat munten, biljetten en goudbezit bij zo'n bank aan elkaar gekoppeld zijn. Er hoeft dus niet met goud tussen banken te worden gesleept, evenmin als het traceren van biljetten nodig is.

28. Goud zoeken en dan in een bankkluis leggen als dekking voor geld, is toch verspilling?
Goudzoekers reageren op een behoefte aan goud en verspillen dus niets. Het is de vrije keuze van banken en hun klanten om goud als gelddekking in een kluis te leggen; voor hen op dat moment kennelijk de beste optie. Een grote toevloed aan goud doet de prijs tegenover andere goederen dalen, waardoor niet-monetair gebruik aantrekkelijker wordt en goud (en dus geld) deels anders wordt aangewend. Op een vrije geldmarkt is goud altijd daar waar de eigenaren het willen en is van verspilling geen sprake.

29. Bij hyperinflatie heb je toch niets aan goud?
Meestal luidt het bezwaar dat je "goud niet kunt eten". Maar fiat papiergeld natuurlijk ook niet en daarvoor is geld ook niet bedoeld. Bij hyperinflatie storten de meeste markten in elkaar omdat mensen de opbrengsten nodig hebben voor voedsel en andere primaire behoeften. En juist dan bewijst goud zijn extra grote waarde: de prijs ervan stijgt mee met de hyperinflatie en het wordt gebruikt als ruilmiddel. Onder strikt gehandhaafd goud als geld is hyperinflatie overigens onmogelijk, dus dat pleit er andermaal voor.

30. Is de wereldeconomie niet te complex geworden voor een gouden standaard?
Hier worden hoogstens oorzaak en gevolg omgedraaid. Fiatgeld en fractionele reserves maken de economie ingewikkeld en nog grilliger dan normaal. In de kern draait alles nog steeds om productie en handel, ongeacht hoe ingewikkeld producten zelf zijn.

31. Goud als geld is toch duur en verspillend, vergeleken met het bijna gratis papiergeld?
Deze vergelijking is onvolledig en dus misleidend. Elk gebruik van een goed heeft zijn kosten, bestaande uit de misgelopen voordelen van een andere aanwending ervan. Kosten zijn dus geen tekortkoming van een handeling, evenmin bij goud als geld. Ook zijn deze kosten niet op te lossen door geld bij te maken. Men moet de keuzes tegen elkaar afwegen. De echte kosten van ongedekt geld bestaan namelijk uit de dalende koopkracht ervan, de zeepbellen en crises die ontstaan, de bevoordeling van vroege ontvangers ten nadele van anderen, de misallocaties van bronnen, de kosten van centrale banken, de bemoeilijkte economische calculaties en het anticiperen van bedrijven op toekomstige handelingen van de monetaire autoriteiten. De kosten van goudwinning, opslag en bewaking zijn klein, vergeleken met de voordelen van goud én de nadelen van ongedekt fiatgeld. En ze bestaan nu ook, omdat goud voor andere doelen wordt gewonnen en gebruikt.

32. Is de goudvooraad in de wereld niet te klein voor een terugkeer naar de gouden standaard?
De hoeveelheid goud is irrelevant voor zijn functie als ruilmiddel, zolang men de munt maar correct definieert in goud. De vraag rijst welke hoeveelheid goud er dan wel zou moeten zijn voor geld. De prijzen passen zich aan aan de goudhoeveelheid. Meer geld verkleint alleen de koopkracht per geldeenheid. Ook kan men de goudprijs aanpassen aan de geldhoeveelheid.

33. Is de goudhoeveelheid per geldeenheid dan niet te klein?
Tijdens de periode van de klassieke goudstandaard in de VS (1834-1933), was goud gedefinieerd als $20,67 per troy ounce (31,10 gram) oftewel ruim 1,5 gram goud per dollar. Deze kleine hoeveelheid werd kennelijk niet als een probleem ervaren. Elke hoeveelheid goud is werkbaar; desnoods rekent men in nanogrammen. Goud hoeft ook niet fysiek van eigenaar te wisselen; er kan met biljetten en electronische bankrekeningen worden gewerkt.

34. Met een gouden standaard verdwijnt toch het concurrentievoordeel door devaluatie?
Devaluatie is symptoombestrijding. Als een land of producten daaruit op de wereldmarkt uit de gratie raken, is dat een teken van onvoldoende concurrentiekracht, door te hoge lonen, te weinig arbeidsproductiviteit of andere structurele zwaktes. De muntwaarde laten dalen houdt dat slechts in stand. Het kunstmatig goedkoop geld lenen doet datzelfde, zoals in de zwakke eurolanden is gebeurd. Onder de gouden standaard en een vrije (arbeids)markt concurreert het bedrijfsleven meer op een sterke, structurele concurrentiekracht dan louter op prijs. Duitsland had zijn sterke en populaire D-mark te danken aan zijn goede exportpositie van kwaliteitsproducten. Goud bevordert sparen, investeren en innovaties, dus welvaart op lange termijn. De handelsstromen zijn dan een weergave van het menselijk kunnen, niet van geldmanipulatie met alle schadelijke gevolgen van dien.

35. Is de financiële wereld niet te groot en te complex geworden voor een gouden standaard?
De dominantie van de financiële sector is eerder een argument vóór goud. Sparen is vrijwel onrendabel door de lage rentes en de prijsinflatie. Mensen en institutionele beleggers speculeren daarom in aandelen, obligaties, vastgoed en ondoorzichtige financiële producten. Het gebrek aan kennis, de onvoorspelbaarheid en de enorme belangen, leiden tot misinvesteringen en continu overspannen beurzen en vastgoedmarkten, gevoed door de voortdurende geldgroei. Onder goud, sparen mensen weer tegen marktrente op een rekening, investeert de bank het in innovatieve ondernemingen en kunnen mensen weer aandelen en obligaties kopen met het dan bestaande geld. Die hebben marktkennis, kennen de stand der techniek en verbeteren deze. Niet alleen spaarders en consumenten profiteren daarvan, maar feitelijk iedereen. De motivatie en waardering voor exacte wetenschap groeit; een "Innovatieplatform" is overbodig. De welvaart en de vermogens stijgen duurzaam en het massale speculeren verdwijnt.

36. Is een terugkeer naar de gouden standaard wel realistisch?
Het huidige fiatgeld opdoeken en een gouden standaard opnieuw instellen is een kwestie van willen, niet van kunnen. Als de politici en de bankensector hun monopolie willen opgeven, lukt het altijd. Aanhangers van goud, die overtuigd zijn van de deugden ervan, kunnen in elk geval hierover blijven publiceren en er onderzoek naar doen. De vraag is bovendien of doorgaan met het huidige geld wel realistisch is, gelet op de vele bijwerkingen en de steeds terugkerende crises.

37. Is de gouden standaard niet veel te ingewikkeld voor het grote publiek?
Alles wat een gouden standaard behelst, is dat een muntnaam een bepaald goudgewicht vertegenwoordigt. Eenvoudiger nog is het gebruik van goud als geld zonder standaard. In de negentiende eeuw was er in de Verenigde Staten een uitvoerig openbaar debat over onderwerpen als goud, zilver, centrale banken of free banking en geldschepping. Vandaag de dag maken de hoeveelheid informatie, opleiding en media als het internet, een goede informering meer dan ooit mogelijk. Wie wil, kan zoveel begrijpen van goud als geld als hij maar wenst. En juist het huidige financiële bestel gaat velen de pet te boven. Het is chaotisch, gecompliceerd en voortdurend in crisis, omdat economische wetmatigheden onverkort hun werk doen, zonder dat beleidsmakers en publiek dat zien of begrijpen.

38. Is een gouden standaard niet achterhaald door het electronische geld?
Ook elektronische middelen zijn bruikbaar in combinatie met goud; dit kan naast gouden munten of bankbiljetten. Ook bestaan er reeds "digital gold currencies" (digitale goud valuta), zoals gepatenteerde goldgrams op www.goldmoney.com.

39. Als de wereld onder goud in regio's uiteenvalt, worden eenwording en globalisering toch eigenlijk teruggedraaid?
Als onder goud en een vrije bankenmarkt de wereld versnippert, omdat men meer handel in de eigen regio bedrijft dan internationaal, doordat werk niet meer zo snel wordt weggeconcurreerd en uitbesteed, dan is dat de vrije keuze van mensen. Zo?n samenleving voorziet kennelijk voldoende in de behoeften en is even natuurlijk als goudgeld zelf is, omdat zij beide zonder dwang tot stand komen.

40. Hoe kunnen we terugkeren naar een gouden standaard?
Het voordeel van een zelfgekozen terugkeer naar goud als geld, zou zijn dat niet hoeft te worden gewacht op de instorting van de huidige fiatvaluta, zoals door hyperinflatie. Echter, een kaartenhuis kan men niet verbouwen. Voor de ommezwaai naar een vrije bankenmarkt en goud als geld, zijn in elk geval de volgende stappen noodzakelijk:
- Stoppen met verdere geldschepping.
- De verkoop van de goudvoorraden in handen van overheden en centrale banken; de opbrengsten kunnen naar de burgers terugvloeien.
- Het volledig vrijgeven van de geld- en bankensector, zodat vrije ondernemers geld op basis van goud kunnen en zullen uitgeven. Goud kan dan onbeperkt worden gebruikt als geld, in eerste instantie naast het fiatgeld. Zo kan goud diens plaats weer gaan innemen.
- Opheffing van de centrale banken.
Elk van deze stappen zou het huidige financiële stelsel acuut doen instorten, maar ook de weg voor goud vrijmaken. Tot nu toe heeft geen beleidsmaker zich hieraan gewaagd.

Zie ook: Vrij Bankieren in 25 vragen en antwoorden

Met dank aan Marcel Meijer, prof. Frank van Dun, het Rothbard Instituut en Guido Hülsmann voor hun commentaren
Terug naar de hoofdpagina

© RatioVincit.nl, graag citeren met bronvermelding xhtml 1.1 goedgekeurd