Inflatie volgens de Oostenrijkse School

Inflatie wordt door economen binnen de Oostenrijkse School gedefinieerd als een toename van de geldhoeveelheid. Prijsstijgingen zijn daarvan een (maar niet het enige) gevolg, omdat de hoeveelheid goederen waar vraag naar wordt uitgeoefend, niet of niet direct evenredig meegroeit met de geldhoeveelheid. Hierbij geldt in de woorden van Robert P. Murphy wel dat:
The specific impact of money creation on various sectors can be very different, and operate on different time frames.
Ook speelt de geldvraag een grote rol in de prijsvorming; geldgroei die vervolgens als bankreserves blijven staan, hebben normaal gesproken geen prijsverhogend effect. Pas als deze via het fractionele bankieren worden aangewend, stijgen de prijzen wel; Robert Murphy:
Rather than viewing the banking system as pushing new money into the economy, some economists would look at the above chart and see people pulling new money into existence (through the magic of fractional-reserve lending).
Men kan ook zeggen dat de koers van geld in goederen weergegeven, daalt. Deze visie op inflatie is uitvoerig beschreven en onderbouwd, in allerlei boeken en essays. Hierbij gebruikt men zowel economische theorie als de actualiteit. Hieronder een aantal van die auteurs en hun gebruik van deze definitie, soms met kleine varianten. Daarna de implicaties van de onjuiste hedendaagse definitie, ongeschikte van inflatie en tenslotte enkele overige opmerkingen.

Ludwig von Mises
Von Mises wijst op de aloude betekenis en het vroegere gebruik van de termen inflatie en deflatie: zij stammen niet van economen, maar komen uit het dagelijks spraakgebruik van publiek en politici, in de betekenis van een stijging resp. daling van de hoeveelheid geld en kredieten en de bijbehorende daling resp. stijging van de koopkracht. Tot aan het loslaten van de gouden standaard in de twintigste eeuw en de opkomst van het Keynesianisme, bleef dit woordgebruik gehandhaafd. Economen uit de Oostenrijkse School doen dat nog steeds omdat geldgroei en prijsstijgingen als gevolg daarvan, onverkort van toepassing zijn. Von Mises noemt in Inflation (uit: Economic Freedom and Interventionism) eveneens oorzaak en gevolg:

The government provides a part of the funds required for rearmament by inflation, that is, by increasing the quantity of money in circulation and the amount of bank balances subject to check. The unavoidable consequence of inflation is the emergence of a general tendency of all prices to rise.
In het volgende hoofdstuk, Inflation: An Unworkable Fiscal Policy, hanteert hij zijn vaste gebruik:
Inflation, an increase in money and credit, is certainly not a means to avoid or to postpone for more than a short time the need to resort to taxes levied on people other than those belonging to the rich minority.
Murray Rothbard
Rothbard hanteert die definitie ook in een aantal van zijn werken. In America's Great Depression (p. xxiv) gebruikt hij beide betekenissen door elkaar:
Hard money rhetoric or no rhetoric, the timidity and confusion of Reaganomics make very clear what its choice will be: massive inflation of money and credit, and hence the resumption of double-digit and perhaps higher inflation ...
Een voorbeeld van een omslachtige omschrijving van geldgroei en de prijsinflatie als een gevolg daarvan (p. xxviii): Voorkant America's Great Depression
The Austrian theory further shows that inflation is not the only unfortunate consequence of governmental expansion of the supply of money and credit.
Rothbard zet naast de overeenkomst met de monetaristen dat geldgroei leidt tot hogere prijzen, ook een verschil neer als het gaat om de gevolgen (p. xxxiv):
Thus, while the monetarists see that a rise in the supply of money and credit will tend to raise the level of general prices, they ignore the fact that a recession is then required to eliminate the distortions and unsound investments of the preceding boom.
En juist die monetaristische zienswijze heeft geleid tot continue geldgroei en de onvermijdelijke problemen (p. xxxv):
The Chicago goal of a constant price level, which can be achieved only by a continual expansion of money and credit, would, as in the 1920s, unwittingly generate the cycle of boom and bust that has proved so destructive for the past two centuries.
Henry Hazlitt
In Inflation in One Page schrijft Henry Hazlitt:
Inflation is an increase in the quantity of money and credit. Its chief consequence is soaring prices. Therefore inflation—if we misuse the term to mean the rising prices themselves—is caused solely by printing more money.
Diezelfde Hazlitt in What You Should Know About Inflation:
Inflation, always and everywhere, is primarily caused by an increase in the supply of money and credit. In fact, inflation is the increase in the supply of money and credit.
Hazlitt wijst er hier ook op dat (a) de geldgroei de aloude definitie van inflatie is, maar (b) ook dat vrij recent er een verandering plaatsvond:

(a) ... If you turn to the American College Dictionary, for example, you will find the first definition of inflation given as follows: "Undue expansion or increase of the currency of a country, esp. by the issuing of paper money not redeemable in specie."
(b) ... In recent years, however, the term has come to be used in a radically different sense. This is recognized in the second definition given by the American College Dictionary: "A substantial rise of prices caused by an undue expansion in paper money or bank credit."
Hazlitt merkt uiteraard deze verwarring ook op: oorzaak (geldgroei) is niet hetzelfde als gevolg (prijsstijgingen) en dus kan inflatie niet beide betekenissen hebben. Hazlitt handhaaft de oude definitie en betekenis van het woord, zodat direct naar de oorzaak wordt verwezen:
The word "inflation" originally applied solely to the quantity of money. It meant that the volume of money was inflated, blown up, overextended. It is not mere pedantry to insist that the word should be used only in its original meaning. To use it to mean "a rise in prices" is to deflect attention away from the real cause of inflation and the real cure for it.
Frank Shostak, hedendaags auteur, legt een verband tussen de ongedekte geldgroei en de onvrijwillige verplaatsing van welvaart tussen partijen. Hierbij komt hij met een voorbeeld van een valsemunter die zonder zelf goederen te produceren, toch profiteert van andermans productiviteit:
It follows then that the diversion of real wealth from wealth generators to non-wealth generators by means of increases in the money supply is what inflation is all about. Or we can say that inflation is about the economic impoverishment of wealth producers, which is set in motion by means of inflating the stock of money.
Shostak houdt onverkort en consistent vast aan de monetaire uitleg:
The trigger is the creation of money out of "thin air," or the inflation of the money stock. A general increase in the prices of goods and services is merely the symptom of the inflation of money, i.e., the manifestation of inflation.
Note what we are not saying. We don’t say that inflation is the increase in prices caused by increases in money supply. What we are saying is that increases in money supply is what constitutes inflation.
Faustino Ballvé
Ballvé in Principles of Economics, p. 47:
An increase in the supply of money without any corresponding increase in the supply of commodities is called inflation; the contrary phenomenon is called deflation.
Ballvé schreef in de tijd dat goud nog het geld was:
Inflation occurs whenever the exploitation of gold mines results in an increase in the quantity of money relatively to the total supply of goods and services;
Hierbij geldt uiteraard wel dat goud ook voor juwelen en andere toepassingen wordt gebruikt. Hij definieert het fenomeen en verklaart het ook direct:
Our present-day inflation is of this kind. It is produced when the government, in need of money, has recourse to the printing press. It costs the government no more to issue paper money than the expense of printing it.
Ballvé onderscheidt wel tussen "normale inflatie" als onderdeel van het vrijwillige marktproces en geforceerde kredietexpansie (p. 57):
A distinction therefore has to be made between inflation per se and credit expansion, otherwise known as an easy-money (or cheapmoney) policy. Inflation takes place in the natural course of events whenever the supply of money on the market increases more than that of goods.
Ballvé geeft als voorbeelden van onschadelijke "marktinflatie" de verscheping van goud uit Zuid-Oost-Azië en de goudkoorts na nieuwe vondsten in Amerika en Zuid-Afrika.
But when governments resort to the printing press to produce the currency needed to pay for the services and materials of a swelling bureaucracy and more or less spectacular programs of public works, what occurs is both an inflation, because more money enters the market without a corresponding increase in the supply of goods, and, at the same time, an expansion of credit ...
Implicaties woordverwisseling
In de meeste hedendaagse leerboeken wordt inflatie omschreven als "prijsstijgingen" of "stijging van het prijsniveau" en blijft een verklaring meestal achterwege. Von Mises noemt "inflatie = prijsstijgingen" een truc, een semantic confusion (semantische verwarring) of zelfs een semantic revolution:
The semantic revolution which is one of the characteristic features of our day has also changed the traditional connotation of the terms inflation and deflation. What many people today call inflation or deflation is no longer the great increase or decrease in the supply of money, but its inexorable consequences, the general tendency toward a rise or a fall in commodity prices and wage rates.
De oorzaak van deze truc is volgens Von Mises allezins duidelijk:
To avoid being blamed for the nefarious consequences of inflation, the government and its henchmen resort to a semantic trick. They try to change the meaning of the terms. They call "inflation" the inevitable consequence of inflation, namely, the rise in prices.
Dit zou erop duiden dat beleidsmakers zich wel degelijk bewust zijn van de geldgroei, de veroorzakers en de gevolgen. De gevolgen van inflatie noemt men nu zelf inflatie en de oorzaak blijft onbekend of onbeargumenteerd. De technological confusion die hieruit voortkomt is dat de centrale banken doorgaan met geldschepping en zo falen in hun streven naar stabiele prijzen. Von Mises in Inflation: An Unworkable Fiscal Policy:
Those who pretend to fight inflation are in fact only fighting what is the inevitable consequence of inflation, rising prices. Their ventures are doomed to failure because they do not attack the root of the evil. They try to keep prices low while firmly committed to a policy of increasing the quantity of money that must necessarily make them soar. As long as this technological confusion is not entirely wiped out, there cannot be any question of stopping inflation.
Wat betreft oorzaak en gevolg wijst Von Mises in Inflation op een veelvoorkomende misvatting in beleid:
What the bureaucrats have in mind when talking about "fighting" inflation is not avoiding inflation, but suppressing its inevitable consequences by price control.
De geldtoename wordt als factor genegeerd en wordt daarom ook niet bestreden. Er is ook geen term meer over die de geldtoename zelf aanduidt; proces van geldschepping kan men nog slechts omslachtig omschrijven. Banken en overheden worden als handhavers van stabiele prijzen gezien, maar veroorzaken feitelijk juist hogere. De strijd tegen inflatie, of "monetair beleid", is simpelweg mislukte symptoombestrijding.

Meer onjuiste verklaringen en gezichtspunten
De hedendaagse definitie van inflatie is zeer verwarrend. Prijsstijgingen blijven er onverklaard door en men wijst de verkeerde factoren aan als veroorzakers. Officials van de Fed wijzen geregeld naar de hogere olieprijs, die de "inflatie aanwakkert". Men zegt eigenlijk dat "de prijzen stijgen door de gestegen prijzen". Omdat olie een belangrijke grondstof is, lijkt dat juist. Maar de vraag hoe die olieprijs zélf kan stijgen, en de producten die ermee worden gemaakt, wordt niet gesteld en beantwoord. De verklaring is dat de centrale en private bankiers (wereldwijd) zelf de prijzen doen stijgen. Door de rente te verlagen, wakkert men het lenen van nieuw bijgemaakt geld aan en daarmee de vraag naar grondstoffen en andere producten. Een dalende opbrengst uit oliebronnen en in het algemeen een dalende productie van welk product dan ook, doet de prijzen daarvan wel stijgen, maar die van andere producten dalen. Geld geeft men immers maar eenmaal uit. Nog een verschil met geldgroei is dat zulke prijsstijgingen geen welvaartsverplaatsing zijn, maar uitkomst van vraag en aanbod.

Zelfs een toename van de werkgelegenheid wordt volgens Frank Shostak als potentieel inflatoir gezien en lokt acties van centrale bankiers uit:

Thus a fall in unemployment or a rise in economic activity are all seen as potential inflationary triggers and therefore must be restrained by central bank policies.
Ook onjuist is het aanwijzen van "inflatieverwachtingen" als veroorzaker van loon- en prijsstijgingen, uitmondend in de gevreesde loon-prijsspiraal. Feitelijk is het zelfs andersom; Rothbard zegt in America's Great Depression (p. xxii):
Inflationary expectations are a response learned after decades of inflation, and they place an inflationary premium on pure interest rates. As a result, the time-honored method of lowering interest rates—the Fed’s expanding the supply of money and credit—cannot work for long because that will simply raise inflationary expectations and raise interest rates instead of lowering them. (Cursief toegevoegd)
Zonder nieuw geld kunnen hogere prijzen of verwachtingen daaromtrent helemaal niet ontstaan of blijven voortduren en een loon-prijsspiraal daarom al evenmin. Verwachtingen kunnen geen feiten veranderen en kan men alleen zinvol koppelen aan reële factoren. Wel kan de muntkoers dalen als er een aanwijzing of verwachting is dat de geldhoeveelheid zal toenemen. Toch kan ook zo'n koersdaling zich alleen voortzetten als de geldhoeveelheid daadwerkelijk toeneemt. Frank Shostak in Is the Fed an Inflation Fighter or Creator? Deze misvatting komt overeen met die van hogere brandstofprijzen die "inflatie veroorzaken":
By the same token, a strengthening in gasoline price rises cannot by itself set in motion a stronger rate of increase in general prices. Without the strengthening in the rate of growth of money supply relative to the rate of growth of goods there can’t be a general strengthening in price rises.

Inflatie

Inflatie, zo is op diverse websites en in menig economieboek te lezen, "wordt opgesplitst in bestedingsinflatie en kosteninflatie",
www.economische-begrippen.nl: inflatie
www.economische-begrippen.nl: kosteninflatie
www.economische-begrippen.nl: bestedingsinflatie

Dit is echter onjuist en ook is het onderscheid niet relevant. Er bestaat maar één soort inflatie: toename van de geldhoeveelheid, tegenover een gelijkblijvende of niet gelijk meestijgende goederenhoeveelheid. Hogere prijzen zijn daarvan het gevolg.

Ten eerste "kosteninflatie".

Henry Hazlitt schreef in Inflation in One Page:

"There is no such thing as “cost-push” inflation. If, without an increase in the stock of money, wages or other costs are forced up, and producers try to pass these costs along by raising their selling prices, most of them will merely sell fewer goods".

“Cost-push” zonder geldtoename gaat als volgt: hogere productiekosten worden doorberekend, hetgeen weliswaar voor de afnemers product A duurder maakt, maar doordat zij elders minder kunnen kopen (van product B), daalt daarvan de prijs. Per saldo is er dus geen "inflatie", als men daaronder verstaat een totale prijstoename. Identieke optie: mensen kopen minder van het duurdere product A (omzet blijft gelijk) en kopen evenveel van product B als voorheen. De producenten van A vangen de lagere omzet op met minder winst.

Bij toenemende geldhoeveelheid (zonder gelijk meestijgende goederenhoeveelheid), zoals door consumptieve leningen, kunnen de hogere kosten wel gewoon worden betaald. Product A stijgt in prijs, maar de prijs van product B blijft gelijk of kan ook stijgen. Het totale prijsniveau is dus gestegen, beter gezegd: de geldhoeveelheid is gestegen en de prijzen daardoor ook. Hiermee is kort beredeneerd dat (1) alleen stijging van de geldhoeveelheid de inflatie bepaalt of feitelijk vormt en (2) dat kosteninflatie dus een onjuist begrip is.

Dan "bestedingsinflatie". Zonder geldtoename, betekent meer vraag naar product A vanuit de klanten, dat hetzelfde bedrag minder aan product B wordt besteed. De toe- en afname van de prijzen heffen elkaar op. Met meer geld echter en niet meestijgende goederenhoeveelheid, kunnen zowel meer producten A als een minstens even grote hoeveelheid B worden gekocht. Ook hier is het dus de geldtoename die voor de totale prijstoename zorgt.

Conclusie: louter de geldhoeveelheid bepaalt de inflatie en of de prijzen nu hoger worden vanuit de producent of consument, is irrelevant.

Voor deflatie geldt dit alles eender.
www.economische-begrippen.nl: deflatie
"Deflatie Daling van het algemene prijspeil. Zie het begrip inflatie voor meer uitleg."

Dalende prijzen, zoals nu op de internationale markten, zijn een /gevolg/ van groter goederenaanbod, in verhouding tot de geldhoeveelheid; de zogeheten "deleveraging".

Inflatie deel 2

In "What You Should Know About Inflation" nog meer argumenten van Hazlitt voor geldstijging-als-inflatie. Een uittreksel staat bij het Mises Insitute online: Daily Article by Henry Hazlitt - What You Should Know About Inflation.

Hazlitt stelt ook hier:
"Inflation, always and everywhere, is primarily caused by an increase in the supply of money and credit. In fact, inflation is the increase in the supply of money and credit."

De hogere prijzen zijn dus niet inflatie zelf, maar zijn een gevolg ervan:
"To use it to mean "a rise in prices" is to deflect attention away from the real cause of inflation and the real cure for it".

Over de geldhoeveelheid:
"The total of money and credit so measured was $63.3 billion at the end of December 1939, and $308.8 billion at the end of December 1963. This increase of 388% in the supply of money is overwhelmingly the reason why wholesale prices rose 138% in the same period."

Let op de geldhoeveelheid in de eurozone, sinds de invoering van de euro:

Munten
Number of euro coins in circulation

Biljetten
Number of euro banknotes in circulation

Reken maar eens uit hoeveel geld er is bijgekomen en bedenk welke rol dit heeft gespeeld bij de prijsstijgingen. Dit wil m.i. overigens niet zeggen dat de koopkracht voor iedereen evenveel is aangetast, zolang tenminste de lonen zijn meegestegen of de productiviteit.

Hazlitts verdere opmerkingen bij inflatie, zijn ook terug te voeren op de geldhoeveelheid:
"For example, the "money supply" must be thought of as including not only the supply of hand-to-hand currency, but the supply of bank credit — especially in the United States, where most payments are made by check."

Ook dit betreft dus de geldhoeveelheid, maar dan niet alleen in chartaal geld.

"It is also an oversimplification to say that the value of an individual dollar depends simply on the present supply of dollars outstanding. It depends also on the expected future supply of dollars."

Wederom speelt de kwantiteit een rol in de waardering.

Zelfs het lagere vertrouwen dat mensen hebben bij fiatgeld, is min of meer op de kwantiteit terug te voeren:
"The value of the monetary unit therefore usually falls immediately, even if there has not yet been any increase in the quantity of money. This is because the people have more faith in gold than they have in the promises or judgment of the government's monetary managers. There is hardly a case on record, in fact, in which departure from the gold standard has not soon been followed by a further increase in bank credit and in printing-press money."

Ook voorafgaande prijsstijgingen voor de toename van de geldhoeveelheid, hebben daar toch verband mee:
"Strategic raw materials began to go up in price on the fear that they were going to be scarce. Speculators and manufacturers began to buy them to hold for profit or protective inventories. But to do this they had to borrow more money from the banks."

Tevens is de "shortage of goods" is natuurlijk al lang en breed bewezen onzin als factor voor inflatie. De prijzen vandaag zijn veel hoger dan jaren geleden, terwijl door innovatie de goederenhoeveelheid alleen maar is toegenomen en veel producten in prijs zijn gedaald, zoals electronica.

Ook de staatsschuld en de loonspiraal, hoeven op zich geen inflatie te betekenen:
"A budget deficit, in short, is inflationary only to the extent that it causes an increase in the money supply." "If it were not preceded, accompanied, or quickly followed by an increase in the supply of money, an increase in wages above the "equilibrium level" would not cause inflation; it would merely cause unemployment."

Het hele boek is te vinden bij het Mises Institute: "What You Should Know About Inflation", hoofdstuk "The ABC of Inflation" geeft een goede samenvatting.

Tenslotte het Barlaeus Gymnasium over Monetaire inflatie:
"Monetaire inflatie: Een toename van de geldstroom (MV). Monetaire inflatie kan ontstaan geldschepping of door ontpotting."

Niet helemaal correct: ontpotting leidt niet tot inflatie, omdat het oppotten van geld in een eerder stadium leidde tot lagere prijzen. Per saldo is er dan geen inflatie.

Terug naar de hoofdpagina

© RatioVincit.nl, graag citeren met bronvermelding

html 4.01 goedgekeurd